Begroting

Het Dagelijks Bestuur zendt jaarlijks voor 1 april een ontwerpbegroting, vergezeld van een behoorlijke toelichting, voor  het volgende kalenderjaar aan de deelnemende gemeenten. De gemeente kan binnen twee maanden na toezending haar zienswijze over de begroting kenbaar maken aan het Algemeen Bestuur van de GGD. De begroting wordt opgesteld op basis van de BRN-richtlijn die wordt opgesteld door de Adviesfunctie gemeenschappelijke regeling en geeft een overzicht van de taken en producten die zullen worden uitgevoerd en de financiële vertaling daarvan. In de begroting wordt aangegeven welke bijdrage elke afzonderlijke gemeente verschuldigd is waarbij voor de wettelijke taken een verdeelsleutel wordt gehanteerd die uitgaat van het aantal inwoners.  Het Algemeen Bestuur stelt de begroting vast vóór 1 juli van het jaar voorafgaand aan dat, waarvoor de begroting bedoeld is. Het Dagelijks Bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, in ieder geval vóór 15 juli aan Gedeputeerde Staten.

Er is geen formeel proces voor een college/raad om voorafgaand aan een begroting kaders te stellen voor een begroting.
Voor een aantal taken zijn inhoud specifieke Regionale Ambtelijke Overleggen (RAO) dan wel regionale werkgroepen ingesteld waar de uitvoering van taken en de ontwikkelingen daarin met de GGD besproken worden. Dit geldt voor Toezicht Wmo, Toezicht Kinderopvang, Veilig Thuis. Voor de andere beleidsterreinen wordt op lokaal niveau gedurende het jaar voortgang en ontwikkelingen met de GGD besproken.  
De ontwerpbegroting wordt in het algemene Regionaal Ambtelijk Overleg GGD ambtelijk besproken voordat deze geagendeerd wordt bij het Algemeen Bestuur.

Reguliere informatievoorziening en ad hoc informatievoorzieningJaarrekening

Als onderdeel van de P&C-cyclus wordt 3 maal per jaar tussentijds gerapporteerd over de voortgang van de begroting, nadat deze in het Dagelijks bestuur is besproken.
Het Dagelijks Bestuur biedt voor 1 april de jaarrekening van het afgelopen jaar aan het Algemeen Bestuur met gelijktijdige toezending aan de gemeenteraden van de gemeenten. De gemeenten kunnen binnen twee maanden na toezending hun zienswijze over de jaarrekening kenbaar maken aan het Algemeen Bestuur van de GGD. De jaarrekening geeft een overzicht van de uitgevoerde taken / producten, prestaties en financiële situatie. Het Algemeen Bestuur stelt de jaarrekening vast voor 1 juli, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. De jaarrekening

De Maraps en de concept jaarrekening worden in het algemene Regionaal Ambtelijk Overleg GGD ambtelijk besproken voordat deze geagendeerd wordt bij het Algemeen Bestuur.

Risicomanagement

Het Algemeen Bestuur heeft in een aparte notitie “Risicomanagement, voorzieningen en weerstandsvermogen GGD GZ” de richtlijnen vastgelegd ten aanzien van de genoemde thema’s. Hierin is vastgelegd op welk wijze geïnventariseerde risico’s worden gecategoriseerd, hoe de rollen en taken in het kader van risicomanagement zijn verdeeld en hoe de risico’s gekwantificeerd moeten worden. Voor de normstelling voor een algemene reserve bij de GGD is bepaald hoe de maximale hoogte van de reserve bij de GGD berekend wordt. Het minimum van de reserve is nihil.

Het complete overzicht van de risico-inventarisatie en de voorgestelde beheersmaatregelen worden één keer per vier jaar besproken met het Algemeen Bestuur. In de tussenliggende periode wordt een samenvatting van de risico-inventarisatie opgenomen in de begroting en de jaarrekening. Bij het uitbrengen van de financiële rapportages worden nieuwe of verdwenen risico’s als mutatie vermeld. Indien er aanleiding toe is wordt de frequentie van rapporteren over de (stand van de) risico’s aangepast. Bij de bepaling van de gemeentelijke risico’s wordt rekening gehouden met het aandeel in de risico’s van de GGD zover deze de algemene reserve overstijgen.

Resultaten op basis van jaarrekening worden gedoteerd of onttrokken aan de Algemene Reserve. Als de algemene reserve lager wordt dan nihil én niet binnen de scope van de meerjarencyclus op niveau gebracht kan worden binnen de eigen begroting, storten de gemeenten bij tot nihil. Als de reserve boven het maximum uitkomt, wordt het meerdere aan gemeenten uitgekeerd.